Piet De Groof

Generaal-vliegenier en bevlogen kunstkenner

In de geschiedenis van de naoorlogse Belgische avant-garde zijn er weinig figuren die zo tot de verbeelding spreken als Piet De Groof (1931–2014). Hij leidde een dubbelleven dat op het eerste gezicht onverenigbaar lijkt: overdag een man van discipline en strategie die het schopte tot generaal-majoor bij de Belgische Luchtmacht. ’s Nachts, onder het pseudoniem Walter Korun, een literair experimentalist, kunstcriticus en spil in bewegingen als (post-)Cobra en de Situationistische Internationale. De paradox van een generaal in een strak militair apparaat die tegelijkertijd een grensverleggende artistieke vernieuwer is, maakt hem tot een fascinerende, gelaagde figuur.

De vroege jaren en de literaire ontwaking

Piet De Groof werd geboren in Mechelen in een spoorwegfamilie. Kunst en poëzie werden hem niet met de paplepel ingegoten, maar een leraar Nederlands aan het atheneum bracht hem in contact met vernieuwers als Paul van Ostaijen en Hugo Claus. Deze kennismaking plantte de kiem voor zijn latere ontplooiing. Omdat een militaire loopbaan destijds de enige realistische kans bood om verder te studeren, koos hij voor de polytechnische afdeling van de Koninklijke Militaire School (KMS). Hij koos bewust voor de luchtmacht, gefascineerd door vliegtuigtechniek en het avontuur van het vliegen.

Tijdens zijn studie begon De Groof zijn dubbelbestaan vorm te geven. Onder de schuilnaam Walter Korun richtte hij met jeugdvriend Karel Dubois het literaire tijdschrift Taptoe (1953–1955) op. Dit gratis blad was het manifest van een nieuwe generatie die zich distantieerde van de morele zwaarmoedigheid van oudere experimentelen. Poëzie moest in zijn ogen gericht zijn op spontaniteit en experiment, wars van formeel opgelegde regels: “Le poème, c’est une voix intérieure qui dicte la voie, le style.”

De productie van Taptoe was een vorm van clandestiene rebellie: de exemplaren werden stiekem gestencild in de kelders van de KMS, terwijl de cadetten op de binnenplaats marcheerden. Het pseudoniem was bittere noodzaak, aangezien het militairen verboden was om zonder toestemming te publiceren. Hoewel het tijdschrift een kort bestaan kende, vestigde het Koruns naam in kunstminnende cirkels als vernieuwer, mede door een felle polemiek met de behoudsgezinde schrijver Johan Daisne over het belang van programmaloos experiment.

Het brandpunt: Internationaal Kunstencentrum Taptoe (1955–1957)

Eind 1955 richtte De Groof, samen met onder anderen Maurice Wyckaert en Serge Vandercam, Galerie Taptoe op in Brussel. Dit internationaal kunstencentrum, gevestigd in het Oud Korenhuis 24-25, was een reactie op de ‘koude’ geometrische abstractie die destijds in België hoogtij vierde. Hoewel de galerie slechts anderhalf jaar bestond, fungeerde ze als een cruciale katalysator voor de transitie van de Cobra-beweging naar het situationisme.

Binnen dit Brusselse brandpunt opereerde De Groof noodgedwongen in de luwte. Omdat hij nog als piloot in opleiding aan zijn carrière bouwde, kon hij niet officieel als stichtend lid naar buiten treden. Toch was zijn informele rol als netwerker monumentaal. Korun trok de werking resoluut open naar een internationaal forum. Men koos voor expressie boven functionaliteit en voor het tachisme — een anti-doctrinaire benadering die naadloos aansloot bij de visie van de Deense kunstenaar Asger Jorn, die door Korun als de spirituele vader van het centrum werd beschouwd.

Koruns diplomatieke durf zorgde voor legendarische momenten. In 1956 reisde hij naar Parijs en legde via Pierre Alechinsky contact met Jorn. Deze stemde toe in een samenwerking, waarna De Groof eigenhandig 35 doeken van de meester over de grens smokkelde, met een rol van vijftig kilo op zijn rug. Het resulteerde in Jorns allereerste solotentoonstelling buiten Denemarken. Galerie Taptoe reeg de hoogtepunten aan elkaar: ze toonde een groots Cobra-ensemble van Christian Dotremont en organiseerde in 1956 de allereerste individuele tentoonstelling van Hugo Claus als beeldend kunstenaar. Financiële problemen en interne conflicten luidden het einde in, maar de galerie liet een erfenis achter als trefpunt waar artistieke samenwerking en interactie tot bloei kwamen.

Foto’s: Opening van een expositie met Piet De Groof in uniform – Piet De Groof in gesprek met Pierre Alechinsky – Generaal Piet De Groof inspecteert zijn troepen

Het Internationaal Situationisme en de raid van 1958

In 1957 was De Groof medeoprichter van de Situationistische Internationale (SI), een kunstzinnig-politieke beweging onder leiding van Guy Debord en Asger Jorn. De SI streefde naar een versmelting van kunst en leven door het creëren van ontregelende situaties en concepten als ‘psychogeografie’ en de dérive (dwaaltocht).

Tijdens het Brusselse Expo-jaar 1958 organiseerde De Groof als een ware militaire strateeg een beruchte actie tijdens een congres van kunstcritici (AICA). Terwijl hij in de vluchtauto wachtte, stormde zijn broer Wilfred het Maison de la Presse binnen om een subversief pamflet rond te strooien met de woorden: “Disparaissez, critiques d’art!”. De actie liep bijna fataal af toen de politie zijn nummerplaat noteerde, maar dankzij een vals alibi van zijn manschappen op de vliegbasis van Kleine-Brogel ontsnapte hij aan zware sancties. Ironisch genoeg sloot de SI De Groof enkele maanden later uit, simpelweg omdat de beweging geen militair in haar rangen tolereerde. Deze exclusie vormde een blijvend trauma voor Korun.

De Generaal-majoor als cultuurpromotor

Terwijl zijn artistieke alter ego noodgedwongen naar de achtergrond verdween, maakte De Groof een indrukwekkende carrière binnen de luchtmacht. In 1982 werd hij benoemd tot generaal-majoor. Als bevelhebber droeg hij tijdens de Koude Oorlog de verantwoordelijkheid voor nucleaire wapens, maar hij weigerde zijn culturele ziel aan de kazernepoort af te geven.

Juist op militaire bases introduceerde hij kunst. Hij organiseerde tentoonstellingen van Lucebert en Fred Bervoets, bracht kunst naar luchthavens en bleef een mentor voor jonge kunstenaars. In de jaren tachtig raakte hij nauw betrokken bij Oasis, het cultureel centrum van de luchtmacht, waar hij grote exposities van onder meer Bram van Velde op touw zette. De Groof blijft ook actief als kunstcriticus met onder meer artikels over Cobra, Dotremont en de erfenis van Taptoe. Zelf blijft hij er bescheiden over: “Ik ben steeds een bevlogen amateur gebleven”. Tot aan het einde van zijn militaire loopbaan in 1985 behield De Groof deze unieke dubbelrol: het ene moment kliefde hij met Mach 2 door het zwerk in zijn F-104G Starfighter, om het volgende moment de kloof tussen het zwaard en het penseel te overbruggen.

— Nathan Lauwers,
wetenschappelijk medewerker Liberas

Piet De Groof en het Willemsfonds:
bewaker van woord, beeld en gemeenschap

In het bruisende en veelkleurige Laken, een van de meest diverse wijken van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, vervult het Willemsfonds sinds zijn oprichting in 1974 een opmerkelijke rol. Aanvankelijk eerder bescheiden aanwezig in het Brusselse, kwam in 1985 op aangeven van nationaal Willemsfondsvoorzitter Ernest Van Buynder een nieuwe enthousiaste voorzitter aan het roer van de afdeling te staan. Luchtmacht¬generaal Piet De Groof zette de afdeling op een unieke manier op de kaart en drukte gedurende twee decennia zijn stempel op het rijkgevulde artistieke programma van het Willemsfonds Laken.

Superdiversiteit

Laken is een smeltkroes van culturen. Het is niet alleen de thuisbasis van de Heizel, het Atomium en het koninklijk paleis, het is ook een wijk van kosmopolieten, nieuwkomers, arbeiders, kunstenaars en gepensioneerden die hun leven lang dezelfde cafés hebben bezocht. In dat weefsel opereerde Piet De Groof gedurende twintig jaar met een duidelijk mandaat dat hij zichzelf had gegeven: de vrijzinnige Nederlandstalige cultuurtraditie stimuleren zonder ze op te sluiten in nostalgie. Het Willemsfonds beschouwde hij als een laboratorium, een plek waar ideeën botsen, waar kunstenaars ruimte krijgen, waar mensen leren omgaan met onzekerheid en complexiteit.

Die ambitie vertaalde zich in een programma dat jaarlijks wisselende accenten legde: van literaire avonden tot debatten over stadsontwikkeling, van filosofische lezingen tot tentoonstellingen van beeldende kunstenaars. Cultuur was voor hem geen vrijblijvende decoratie maar een noodzaak: kunst en literatuur verrijken volgens zijn visie niet enkel mensen maar vormen hen ook, in hun denken, hun empathie, hun democratische houding.

De lokale kunstenaar als sleutelfiguur

Onder De Groofs leiding werd bewust gekozen om lokale kunstschilders, etsers en beeldhouwers te werven als leden én centraal te stellen in de programmatie van de afdeling. Zijn Willemsfondsafdeling werd een thema-afdeling “Beeldende Kunsten” waarbinnen hij hedendaagse kunstenaars in gesprek bracht met de leden en met een brede groep belangstellenden uit het Brusselse. De Groof bracht zo een lange traditie van volkseducatie op eigen wijze terug tot leven: kunst werd voor hem pas echt democratisch wanneer ze niet enkel geconsumeerd maar ook geproduceerd werd in de eigen gemeenschap.

Het Willemsfonds Laken was aanwezig in plaatselijke ateliers, scholen en buurtcentra en organiseerde tientallen tentoonstellingen, met op de vernissages vanzelfsprekend een boeiende lezing door een erudiete voorzitter. Met de leden van zijn afdeling reisde hij intussen naar ateliers en presentaties doorheen binnen- en buitenland.

Foto’s: Met Willy Dehondt, Ernest Van Buynder en André Monteyne in CC De Bosuil – Op de Algemene Vergadering van het Willemsfonds in 1988 – Affiche voor een expo in GC Nekkersdal, georganiseerd door Piet De Groof

Beeld/Spraak en Imago

Logischerwijze werd naar hem ook gekeken voor andere vernieuwende artistieke projecten van het Willemsfonds. Voor het Provinciaal Verbond Brabant zette hij zich in voor de organisatie van Imago 87 en vijf jaar later Imago 92, een provinciale wedstrijd voor jonge kunstschilders gekoppeld aan een rondreizende tentoonstelling. Artiesten als Marijke Van Neygen, Michelle Wilhelm en Christian Martin maakten er hun debuut.

Het Algemeen Bestuur zorgde voor een andere uitdaging. Het ooit prestigieuze publicatiefonds van het Willemsfonds kende sinds 1977 een sluimerend leven. Dat jaar verscheen het ‘Gedenkboek 125 jaar Willemsfonds’ dat de definitieve terugblik op een oude traditie dreigde te worden. Ernest Van Buynder, die in 1985 het voorzitterschap van De Groof had gelanceerd, verzocht hem terzelfdertijd om een nieuw opgerichte Adviesgroep Kunstmonografieën samen met hemzelf en Willem Elias te willen leiden. Voor De Groof was dit gesneden koek en samen met een team van experts startte hij een reeks kunstmonografieën over waardevolle hedendaagse beeldende kunstenaars die, ten onrechte, waren ontsnapt aan de publieke belangstelling. Acht jaar lang verschenen twee nummers per jaar, in totaal vijftien monografieën. In 1993 besloot het Willemsfonds het roer opnieuw om te gooien en werd deze boeiende reeks stopgezet.

Aan alle mooie liedjes …

In februari 2005 gaf Piet De Groof tijdens een huldiging in het Gemeenschapscentrum Nekkersdal in Laken de fakkel door aan Julien Meganck en werd met algemeenheid van stemmen benoemd tot erevoorzitter. Hij overleed in 2014 na een rijk gevuld leven en werd begraven op de gemeentelijke begraafplaats van Jette. Zijn archief als Willemsfondser werd aan Liberas toevertrouwd en bevat ook verschillende dossiers betreffende artistieke projecten in Nekkersdal. Het archief is ontsloten en de inventaris kan online worden geraadpleegd. Zijn neef Roel volgde in zijn voetsporen en was actief in het bestuur van de afdelingen Laken en Strombeek-Grimbergen, het Willemsfonds Agglomeratie Brussel en het Provinciaal Verbond Brabant. Hij was ook ondervoorzitter van het Algemeen Bestuur van het Willemsfonds en voorzitter van de werkgroep Onderwijs. Zijn archief wordt eveneens bewaard in Liberas.

— Bart D’Hondt,
wetenschappelijk medewerker Liberas

Deel dit artikel:

Lees ook deze artikels