Liberas zet voor ons regelmatig een Brusselse Willemsfondser van vroeger in de kijker. Deze keer stellen ze u voor: Lucien Jottrand.
Hoewel pas in 1873 een Brusselse Willemsfondsafdeling wordt opgericht, lopen al veel langer actieve Willemsfondsers rond in de hoofdstad. Naast eenendertig Gentenaars zijn zeven Brusselaars immers de enige aanwezigen op de stichtingsvergadering van het Willemsfonds in 1851 en vanaf dan wordt driftig geronseld en promotie gemaakt. Onder hen de Brusselse advocaat Lucien Jottrand. Fier laat hij nu en dan in een brief aan het hoofdbestuur weten dat hij nieuwe leden heeft gemaakt. Een van zijn brieven vond zijn weg naar het Brievenboek 175 jaar Willemsfonds dat recent door Liberas werd uitgegeven. Hij schrijft in een zwierig handschrift “Een mijner boezemvrienden, de heer Felix Delhasse, Chaussée de Haecht 134 te Schaerbeek bij Brussel, begeert als inschrijver in het Willemsfonds aanvaard te worden”. Ook dringt hij er bij secretaris Vuylsteke op aan om Delhasse zo snel mogelijk de jaarlijkse prijsboeken voor Willemsfondsleden door te sturen.
Patriot
Lucien Jottrand wordt in 1804 geboren in het Waalse Genappe als zoon van een notaris, die zijn zoon naar een Nederlandstalige middelbare school in Vilvoorde stuurt. Hij studeert daarna rechten in Luik waar hij eveneens de cursus Nederlands van de befaamde professor Johannes Kinker volgt. Als hij zessentwintig is breekt de Belgische opstand uit en Jottrand sluit zich aan bij de radicale republikeinen. Hij werpt zich op als groot voorstander van een presidentieel regime, en zal na het Nationaal Congres, teleurgesteld over de Belgische keuze voor een monarchie, uit de actieve politiek stappen.
Maar tot dan is zijn engagement groot. Hij ontpopt zich tot een progressieve liberaal die openstaat voor het linkse gedachtegoed van socialisten en communisten. Friedrich Engels en Karl Marx behoren tot zijn kennissenkring en voormalige mede-republikeinen zoals Jacob Kats en Charles Spilthoorn steunt hij als journalist en advocaat. Zijn leven lang pleit hij voor de invoering van het algemeen stemrecht en dat spoort met zijn strijd voor Vlaamse rechten.
Nationaal Congres
Van 1830 tot 1831 is hij lid van het Nationaal Congres, samen met Felix Delhasse trouwens, net als Jottrand een progressieve liberaal die onder meer aanwezig is op de stichtingsvergadering van de Liberale Partij in de gotische zaal van het Brusselse stadhuis in 1846. Net als opnieuw Jottrand, vindt hij echter zijn weg echter niet bij de conservatieve liberalen van dat moment en schuift dan naar de linkerzijde op. Dat Nationaal Congres is het eerste democratisch verkozen lichaam van het pas geboren België en heeft als taak het opstellen van een grondwet. Tezelfdertijd fungeert dit lichaam als een ad hoc parlement dat gedurende een jaar de wetgevende macht én het belangrijkste politieke forum van het land is.
Flamingant
Binnen dat Nationaal Congres komt op een bepaald moment ook het taalgebruik ter sprake. Onder meer onder druk van Jottrand kiest de assemblée voor de verankering van taalvrijheid in de grondwet. Onder artikel 23 van die allereerste grondwet lezen we “Het gebruyk der, in België bestaende, talen is vry. Hetzelve kan alleen door de wet geregeld worden, en alleen voor de akten van het openbaer gezag en voor de geregtelyke zaken.”
Dit houdt een eerste de facto erkenning en bescherming in van het Nederlands als officiële taal, hoe beperkt ook. Het grondwetsartikel, dat nog steeds onverkort van toepassing is als artikel 30 van de huidige grondwet, garandeert de vrije keuze, die enkel op een beperkt en strikt afgelijnd aantal domeinen door de overheid mag worden ingeperkt. Vertrekkend uit dit artikel, krijgt de latere Vlaamse strijd zijn legitimiteit.
Lucien Jottrand stort zich na zijn korte verblijf aan de Warande in het Vlaamsgezinde verenigingsleven en wil zich inzetten voor de constructie van een gedecentraliseerde staat met gelijkberechtiging voor Frans- en Nederlandstaligen. Met bijdragen in kranten en tijdschriften en via meetings probeert hij dat ideeëngoed te verspreiden. Hij steunt vanaf 1843 het Nederduitsch Tael- en Letterkundig Genootschap en deelt met Jacob Kats het streven naar erkend Nederlandstalig toneel in Brussel. Zelf is hij vanaf 1850 lid van de progressief-liberale toneelvereniging De Morgenstar. In 1856 wordt hij voorzitter van de eerste Vlaamse Grievencommissie, die in opdracht van de koning Vlaamse taalklachten moest inventariseren. Hij is lid van de Brusselse vereniging Vlamingen Vooruit en bestuurslid van het Vlaamsch Verbond uit Gent. Kortom, de man zat niet stil. Een van zijn toch wel vermeldenswaardige verwezenlijkingen in die latere jaren: in 1859 verkrijgt hij van de Brusselse gemeenteraad dat het Gemeentebulletin in beide landstalen zal worden gedrukt.
Willemsfonds
Zijn rol in het Willemsfonds blijft eerder beperkt. Naast het promoten van de vereniging lijkt hij weinig specifieks te hebben bijgedragen. Hij blijft echter lid tot zijn overlijden, zijn weduwe stuurt ter kennisgeving zijn overlijdensbericht naar het Willemsfonds in Gent. Zijn zoon Gustave neemt zijn lidmaatschap over en blijft eveneens tot zijn overlijden lid. Dit laatste wordt bevestigd door opnieuw een brief in het Willemsfondsarchief, in 1907 gericht aan de nationale secretaris door zijn weduwe. Of hoe dit archief een mooie aanvulling kan zijn voor genealogen en familiekundigen.
— Bart D’hondt